Zes woonaccessoires die snel vervelen, en wat je in plaats daarvan kiest
Seizoensprints, kunstplanten en folietafeltjes staan binnen een jaar in de weg. Zes aankopen die snel vervelen, met per stuk een alternatief van natuurlijk materiaal dat wel meegaat.
Elk najaar hetzelfde patroon: de winkels hangen vol met woondecoratie in de kleur van het seizoen, je neemt een paar dingen mee omdat het huis wat somber wordt, en in maart staan ze in de weg. Niet omdat ze lelijk zijn, maar omdat ze nergens bij horen en nergens voor dienen.
Dit zijn zes aankopen waar dat bijna altijd mee gebeurt, met per stuk het alternatief dat wel blijft liggen. Geen regels, want smaak is van jou, maar wel een patroon dat je na één keer opruimen zelf ook herkent.
Wat snel verveelt, en wat ervoor in de plaats komt
1. Kussenhoezen met de print van dit seizoen. Pompoenen, gedroogde pampas, de kleur die dit jaar overal is. Ze dateren je bank binnen een jaar en ze passen nergens anders bij. Kies in plaats daarvan effen hoezen in linnen of katoen in een kleur die je al in de kamer hebt, en koop losse hoezen en geen dichtgenaaide kussens: dan kun je ze wassen en bij verhuizing hergebruiken. De variatie haal je vervolgens uit textuur, niet uit dessin.
2. Kunstplanten. Ze zien er de eerste maand goed uit en daarna vangen ze stof, verkleuren ze in het licht en blijven ze precies even groot. Bovendien zijn ze van plastic en gaan ze uiteindelijk toch weg. Neem een echte plant die past bij het licht in die hoek, of, als je echt geen groene vingers hebt, takken en droogbloemen uit je eigen tuin. Een tak beuk of een bos hortensia die je in september knipt, houdt het de hele winter uit. Waarom die keuze verder de moeite is, staat in het stuk over bloemen in huis.
3. Tekstborden en quotes aan de muur. Een uitspraak die je duizend keer leest, verliest zijn charme na drie keer. Ze zijn bovendien vrijwel altijd van bedrukt mdf of geprint canvas, en daar begin je niets meer mee. Hang liever iets op dat van jou is: een foto die je zelf hebt gemaakt, een prent van een markt, een tekening van een kind. Een lege muur is trouwens ook een optie, en vaak een rustgevende.
4. Opbergmanden van gecoat kunststof dat op riet lijkt. De coating gaat rafelen, ze kraken en ze zijn niet te repareren. Een mand van wilgentenen, zeegras of jute kost meer en gaat jaren mee, en als hij aan het eind van zijn leven is, kun je hem gewoon bij het groenafval doen. Neem er twee grote in plaats van vijf kleine, want kleine manden worden rommelhokjes.
5. Het vloerkleed dat te klein is. Dit is minder een product dan een maatfout, en hij komt in bijna elke woonkamer voor. Een kleed waar alleen de salontafel op staat, laat een kamer kleiner lijken en gaat zwerven. Meet eerst hoe je meubels staan en koop dan pas, zoals we ook uitleggen bij de maten van vloerkleden. Wol en jute gaan hierbij ver boven een goedkoop kleed van polypropyleen: die laatste platten binnen een jaar plat op de looproute.
6. Het bijzettafeltje van spaanplaat met folie. Het is goedkoop, het is er morgen, en zodra er een glas op omvalt, zwelt het blad op en is het klaar. Massief hout tweedehands kost vaak minder dan een nieuw folietafeltje en overleeft drie verhuizingen. Op marktplaatsen en in kringloopwinkels staan ze in rijen, omdat de vorige eigenaar een nieuwe stijl wilde en niet omdat het ding stuk was. Hoe dat kopen een gewoonte wordt in plaats van een noodgreep, staat in het stuk over tweedehands kopen als vaste gewoonte.
De vraag die het meeste scheelt
Er zit één ding onder al deze voorbeelden: de meeste woondecoratie wordt gekocht om een gevoel op te lossen en niet om een probleem op te lossen. Het is donker, het huis voelt kaal, en dan koop je iets. Dat gevoel is echt, maar een bord met een leus lost het niet op. Meer licht, een opgeruimde vloer en één ding waar je aan gehecht bent, doen dat wel.
De praktische test die bij mij werkt: stel jezelf voor dat je dit ding over vier jaar meeneemt naar een ander huis. Ga je dat doen? Zo niet, dan koop je een tijdelijke oplossing en kun je net zo goed wachten. En wie liever bouwt aan iets wat blijft, vindt in de gedachte achter een wabi sabi interieur en in een tijdloos interieur twee manieren om dat aan te pakken.
Wat mij betreft is dat ook het enige echte duurzame interieuradvies dat bestaat. Niet het label op de verpakking, niet het woord natuurlijk op een sticker, maar de vraag of het ding lang genoeg meegaat om die hele productie waard te zijn geweest.