We eten meer zout dan we denken: zo check je het zelf
Maar 27 procent van de Nederlanders blijft binnen de zoutnorm. Wat die peiling waard is, waar het zout werkelijk zit en hoe je in een kwartier je eigen gebruik narekent.
Hoeveel zout kreeg je gisteren binnen? Vraag het jezelf en de kans is groot dat je te laag uitkomt. Foodies beschrijft vandaag een peiling waaruit blijkt dat maar 27 procent van de Nederlanders binnen de aanbevolen maximale hoeveelheid zout blijft, terwijl bijna 70 procent denkt er gezond mee om te gaan. Welk instituut achter die cijfers zit, staat er niet bij, dus hang er niet meer gewicht aan dan een peiling kan dragen. Het gat tussen gevoel en werkelijkheid is wel precies het soort ding dat je thuis zelf kunt narekenen.
Waar dat zout eigenlijk vandaan komt
Het Voedingscentrum houdt voor volwassenen een maximum aan van 6 gram zout per dag. Gemiddeld zit Nederland daarboven, rond de 7 gram, met 7,8 gram bij mannen en 6,1 gram bij vrouwen. Belangrijker dan die getallen is waar het zout zit. Ongeveer 80 procent zit al in wat je koopt en maar 20 procent voeg je zelf toe tijdens het koken of aan tafel. Brood, vlees en kaas leveren hier het grootste deel, niet omdat er per hap zoveel in zit, maar omdat we er dagelijks van eten.
Dat zet de peiling in een ander licht. Bijna de helft van de ondervraagden voegt tijdens het koken standaard extra zout toe en een zesde strooit het zonder proeven over het bord. Dat zijn gewoontes die je kunt afleren, en toch pak je er hoogstens die kleine twintig procent mee. Wie echt wil weten hoe het ervoor staat, moet in de voorraadkast kijken en niet in de zoutpot.
De check die een kwartier kost
Pak vijf producten die je bijna elke dag eet, bijvoorbeeld brood, kaas, beleg, een soep of saus en iets hartigs voor bij de televisie. Kijk op het etiket in de voedingswaardetabel naar de regel zout, die altijd per 100 gram staat. Staat er alleen natrium, vermenigvuldig dat getal dan met 2,5 en je hebt de hoeveelheid zout. Reken vervolgens om naar wat je er werkelijk van eet, dus vier boterhammen in plaats van 100 gram brood, en tel alles op. De meeste mensen schrikken niet van één product maar van de optelsom.
Vergelijk daarna binnen dezelfde productgroep. Tussen twee broden, twee soorten kaas of twee potten pastasaus zit vaak meer verschil dan tussen merk en huismerk, en dat verschil kost je niets. Dat is wat ik het prettigste vind aan zo’n avondje etiketten lezen. Je hoeft niets te schrappen en je verschuift alleen.
Smaak zonder de zoutpot
In dezelfde peiling zegt meer dan de helft best minder zout te willen eten, zolang het eten maar lekker blijft. Dat lijkt me een redelijke voorwaarde. In een blinde smaaktest onder ruim 1.300 Nederlanders koos 57 procent voor hummus met zout en 43 procent voor een zoutloze variant met natuurazijn, en dat is een kleiner verschil dan je zou verwachten. Zuur doet in de mond voor een deel wat zout doet, en dat geldt ook voor geroosterde specerijen, verse kruiden, knoflook en een vleugje zoet.
Thuis komt dat neer op proeven voordat je strooit, een scheut azijn of citroen aan het eind van het koken, en zelf een saus maken in plaats van een pot openen. Wie vaker vanaf de basis kookt, heeft die tachtig procent sowieso beter in de hand. Dat begint bij de boodschappen, en daarover schreven we eerder in een boodschappenlijst met onbewerkt eten.
Eén ding nog, want het is de reden dat mensen halverwege afhaken. Minder zout eten went, maar het went langzaam. Je smaakpapillen hebben er een week of wat voor nodig, en in die week smaakt alles een beetje flauw. Wie dat weet, houdt het vol.